Problemen mbt tewerkstelling

Problemen mbt tewerkstelling

Beoordeel dit item
(0 stemmen)

[accordion][accordion_item title='Case']

Case: Paul

Om de problematiek te duiden, laten we eerst een case aan bod komen die de huidige hiaten duidelijk illustreert.

Paul, een man van 42, werkte als aankoper in een voedingsbedrijf. De laatste maanden was hij geregeld ziek geweest en voelde hij zich niet goed. Bij opname in het ziekenhuis kon men niets vaststellen. Toch krijgt hij enkele weken later een ernstig hartinfarct met een ernstige hartbeschadiging tot gevolg.

Voor hem was dit een zeer dramatische gebeurtenis in zijn leven, hij moest zijn leefgewoonten volledig aanpassen. Met een hartfunctie van 26% val je voor het  RIZIV onder de noemer ”ernstig hartfalen”. Na een lange revalidatie en het gevoel van niet lang meer te leven, kwam hij thuis. Hij was bang van elke vorm van inspanning en ging bij de minste pijn naar het ziekenhuis, waar hij gelukkig steeds werd gerustgesteld. ‘Dit is iets wat bij het verwerkingsproces hoort’, vertelde zijn huisdokter. Veel mensen hebben deze angst. Verder was hij er op dat moment van overtuigd dat hij nooit meer zou kunnen gaan werken.

De eerste maanden hoorde hij niks van de mutualiteiten, er werd enkel een boekje opgestuurd met de te volgen stappen om invaliditeit aan te vragen. Dit verliep voor hem allemaal zeer vlot, aangezien zijn hartziekte voldoende aangetoond was door de behandelende cardioloog. Maar psychologisch was het een heel ander verhaal. Hij begon zich nutteloos te voelen en had teveel tijd om na te denken en zich zorgen te maken. Het eerste anderhalf jaar was voor hem het zwaarst. De motivatie om nog iets te doen, laat staan te gaan werken, was helemaal weg.

Door gesprekken met psychologen is hij terug in beweging gekomen en zette hij de stap om een herscholing te starten. Deze herscholing moest hij aanvragen bij de adviserend geneesheer van de mutualiteit. Deze zei dat dit op zich geen probleem was, maar, na de herscholing zou hij terug moeten gaan werken en van de invaliditeit geschorst worden. Paul stelde de vraag wat er zou gebeuren als zijn toestand opnieuw verslechterde. ’Dan kom je opnieuw twaalf maanden op primaire arbeidsongeschiktheid en dien je nadien opnieuw invaliditeit aan te vragen’, was het antwoord. Paul had echter een goed inkomen op zijn laatste job, en bijgevolg ook een hoge uitkering van de mutualiteit. Bij eventuele werkhervatting en herval zal zijn invaliditeitsuitkering berekend worden op zijn laatste loon. Maar als hij op zijn leeftijd en met zijn gezondheidstoestand al een nieuwe job zou vinden, was de kans zeer reëel dat zijn inkomen heel wat minder zou zijn dan voordien. Hij heeft dit voorstel dan ook geweigerd op aanraden van zijn arts, aangezien er met een ernstig infarct kans is op hartfalen na vijf jaar. Doordat het huidig systeem opnieuw aan het werk gaan eerder ontmoedigt dan aanmoedigt, zal Paul voor de rest van zijn leven op invaliditeit staan en ten koste blijven van de overheid.

In de praktijk gebeurde er dus de eerste maanden niets wanneer een werknemer geconfronteerd wordt met een hartprobleem. De hartpatiënt zit thuis, zonder verdere informatie te krijgen van één of andere dienst. Hij is als het ware aan zijn lot overgelaten. Aanvankelijk is hij erg angstig om opnieuw te hervallen, en bij de minste pijn rept hij zich naar de spoedafdeling van het ziekenhuis. Na enkele controles met positieve resultaten, krijgt hij meer moed en velen willen opnieuw gaan werken. Maar het huidige systeem stimuleert hartpatiënten niet om zich opnieuw op de arbeidsmarkt te begeven. Laat staan dat men zou weten hoe hieraan te beginnen.

Na verloop van tijd (ongeveer rond de elfde maand) valt een brief van de sociale dienst van de mutualiteiten in de bus met vermelding dat de persoon op invaliditeit komt na 12 maanden.

Het dossier van RIZIV bevat geen info over het effect van de hartziekte op het functioneren binnen een bepaalde tewerkstelling. Vandaar dat onderzoeken opnieuw moeten gebeuren. Meer samenwerking op het terrein is wenselijk om het traject naar werk voor de hartpatiënt sneller te laten verlopen.

Wanneer hartpatiënten zich uiteindelijk klaar voelen om toch weer de stap te zetten naar werk, is er vaak heel wat tijd verstreken. Als men op zoek gaat naar ondersteuning bij de zoektocht naar gepast werk, komt men in het beste geval bij GTB terecht. Omdat de trajectbegeleiders van GTB onvoldoende in staat zijn de risico’s in te schatten van werkhervatting voor hartpatiënten, wordt vaak verwezen naar een GA (dienst voor Gespecialiseerd Arbeidsonderzoek) voor screening. Allerhande informatie wordt hier in kaart gebracht om vervolgens een gefundeerd advies te kunnen geven: medisch onderzoek, IQ-onderzoek, arbeidsvaardigheden, fysieke draagkracht, psychisch welbevinden, beroepsinteresseonderzoek,… Voor potentiële werkgevers spelen immers meerdere factoren mee dan louter de medische aspecten die verbonden zijn aan de hartziekte. Maar GTB had aanvankelijk onvoldoende expertise om mensen met hartproblemen te begeleiden naar werk. Daardoor werd soms het zekere voor het onzekere genomen, en werd werk in geval van twijfel afgeraden wegens mogelijke risico’s. Het gaat dan zowel om het risico om te hervallen als het risico om er financieel uiteindelijk op achteruit te gaan.

Intussen blijkt uit ervaring dat mensen zelfs ondanks een negatief advies, vaak erg gemotiveerd zijn om opnieuw aan het werk te gaan. Het gaat dan vaak zelfs niet eens om de primaire (financiële) functie van werk, maar eerder om de secundaire functies: hun dagen zinvol invullen, erbij horen, structuur, actief blijven,… Mensen bieden zich bij vzw Hartziekte aan om te werken tegen dezelfde loonvoorwaarden dan hun invaliditeit. Uiteindelijk gaat het hen niet om geld, ze willen er terug bijhoren en zijn zeer gemotiveerd.

Centrale knelpunt:

Personen met een hartprobleem raken moeilijk opnieuw aan het werk

Voor veel hartpatiënten is het niet vanzelfsprekend om na hun aandoening opnieuw aan te knopen met hun vorige job.

Het bleek duidelijk dat in organisaties die rond de hartpatiënt actief zijn (Ziekenhuizen, mutualiteiten, RIZIV, revalidatiecentra, artsen, cardiologische revalidatiecentra, GTB, GOB’s,…) een duidelijke visie ontbreekt op het reactiveren van personen met een hartprobleem.

Bijgevolg komen mensen na een hartaandoening vaak in langdurige compensatiesystemen terecht.

[/accordion_item]
[accordion_item title='Het ontbreken van een netwerk/samenwerking tussen de verschillende instanties die zich rond de hartpatiënt scharen om de persoon met een hartprobleem te ondersteunen bij de werkhervatting.']

Er bestaat geen netwerk/samenwerking van actoren rond de hartpatiënt

Wanneer we de knelpunten in verband met de werkhervatting van personen met een hartziekte onder de loep nemen, merken we dat deze vaak het gevolg zijn van een gebrek aan samenwerking tussen de verschillende actoren die actief zijn rond de persoon met een hartaandoening.

Meer nog, tijdens de voorbereidingen van dit ESF-project stelden we meer dan eens vast dat de actoren waartoe de hartpatiënten zich dienen te wenden, elkaar vaak niet eens kennen. Als gevolg van het ontbreken van dit netwerk is het vanzelfsprekend dat er geen duidelijke visie bestaat omtrent de werkhervatting van personen met een hartziekte.

Bovendien is er amper communicatie tussen een aantal verschillende diensten rond de hartpatiënt. Zo bestaat er bij het RIZIV en bij de mutualiteiten een probleem van informatiedoorstroming met betrekking tot het geven van adviezen. Ook is er geen informatie-uitwisseling tussen artsen, arbeidsmarktdiensten, ziekenhuis, revalidatie-centrum,… omtrent de werkhervatting van personen met een hartziekte.

Omdat cardiologen, artsen, sociale diensten van ziekenhuizen het werkveld van toeleiders naar de arbeidsmarkt helemaal niet kennen, wordt de patiënt doorverwezen naar de mutualiteiten. Prangende vragen in verband met de wedertewerkstelling blijven dan doorgaans ook onbeantwoord.

Huisartsen, cardiologen, de sociale dienst binnen een algemeen ziekenhuis,… weten bovendien niet waar ze terecht kunnen voor informatie over werkhervatting van personen met een hartziekte. Bij aanvang van het project ontstond er geen enkele vorm van samenwerking met VDAB, werkgevers, GTB enz. Meer nog, binnen het ziekenhuis was men zich niet bewust van het bestaan van een instantie als GTB.

Hartrevalidatie bestaat uit samenhangende lange-termijn-programma’s, omvattende medische evaluatie, voorgeschreven oefeningen, beïnvloeding van cardiale risicofactoren, geven van psychische counseling, voorlichting en advies; deze programma’s zijn ontworpen om de fysiologische en psychische gevolgen van de cardiale aandoening te beperken, het risico van plotselinge dood of nieuwe infarcten te verminderen, cardiale symptomen onder controle te houden, atherosclerotische processen te verminderen of tenminste te stabiliseren en ten slotte het psychosociale welbevinden en de deelname aan het arbeidsproces te bevorderen; de voorzieningen beginnen tijdens de opname in het ziekenhuis, ze worden gevolgd door een programma tijdens de poliklinische fase in de daaropvolgende drie tot zes maanden, daarna volgt een stadium van levenslang onderhoud waarin fysieke training en vermindering van risicofactoren worden bewerkstelligd in een situatie zonder of met minimale supervisie (Feigenbaum 1987).

[/accordion_item]
[accordion_item title='Instanties hebben geen expertise om personen met een hartprobleem te reactiveren.']

Er is geen expertise om personen met een hartprobleem te reactiveren

Er is onvoldoende expertise om personen met een hartprobleem te reactiveren. Deze doelgroep werd in het verleden dan ook al te vaak gestimuleerd om niet langer te participeren aan de arbeidsmarkt en te berusten in hun situatie.

Gebrek aan expertise binnen ziekenhuizen

Binnen ziekenhuizen bestaat er slechts een zeer geringe dienstverlening voor alle extra-muros taken. De verpleegkundige van de dienst cardiale revalidatie werkt uitsluitend intra-muros. De dienstverlening van het ziekenhuis buiten de ziekenhuismuren voor hartpatiënten beperkt zich tot het afhandelen van het hoogst noodzakelijke administratieve werk (vb. briefje voor de mutualiteit) maar verder gaat de dienstverlening van het ziekenhuis niet.

Expertise binnen GTB/VDAB

VDAB en GTB bieden reeds geruime tijd trajectbegeleiding aan personen met een arbeidshandicap. Hieronder valt in principe ook de doelgroep van personen met een hartprobleem. Onder trajectbegeleiding verstaat GTB de coördinatie van het traject, dit impliceert de coördinatie van oriëntering, opleiding, begeleiding op de werkvloer en nazorg.
Bij de start van dit project was er binnen GTB geen aangepaste dienstverlening voor de doelgroep van mensen met een hartprobleem.

Deze deficiëntie was een gevolg van:

a)   Het gebrek aan (specifieke) kennis over de problematiek bij trajectbegeleiders

De trajectbegeleiders van GTB hebben geen kennis en expertise rond de fysieke en psychische gevolgen van hartziekten. GTB-trajectbegeleiders kunnen bijvoorbeeld zeer moeilijk een inschatting maken wanneer de fysieke klachten of eerder de psychische effecten van een hartziekte de patiënt verhinderen om opnieuw aan het werk te gaan.

De kennis over de fysieke en psychische gevolgen van een hartprobleem bij de GTB- trajectbegeleiders is te beperkt om een adequate begeleiding te kunnen voorzien. De impact van een hartprobleem op het welzijn van de klant is echter groot.

De gevolgen voor de klant zijn individueel en naargelang het ziektebeeld heel verschillend:

  • Sommige klanten kunnen nog makkelijk een stresssituatie aan, terwijl stress bij anderen vermeden dient te worden.
  • Sommige klanten mogen fysiek nog zwaar werk doen, anderen helemaal niet.
  • Sommige klanten hebben na hun revalidatie een betere conditie dan voor hun hartprobleem, anderen hebben net een veel zwakkere conditie.

Voor een trajectbegeleider is het dan ook zeer moeilijk om deze beoordeling te maken. Om deze afwegingen te maken is kennis over de medische toestand van de persoon vereist.

b)   Het gebrek aan instrumenten/methodieken om deze doelgroep te reactiveren

Omdat toeleidingsorganisaties zoals GTB, VDAB,… weinig ervaring hebben met het opnieuw inschakelen van personen met een hartaandoening, zijn er uiteraard ook nog geen specifieke tools, instrumenten, netwerken om deze doelgroep te ondersteunen. De bestaande tools en trajecten voor specifieke kansengroepen zijn onvoldoende aangepast of toepasbaar op de specifieke situatie van personen met een hartprobleem. Specifieke methodieken zijn echter essentieel om deze doelgroep op een succesvolle manier te kunnen reactiveren.

c)   Het te laat inroepen van de begeleiding naar professionele re-integratie waardoor de kans op het verliezen van hun job verhoogt

Personen met een hartprobleem die opnieuw aan de slag willen, hadden een lange zoektocht af te leggen alvorens zij de juiste hulpverlening gevonden hadden. Aanvankelijk kwamen zij –na een lange periode van arbeidsongeschiktheid - bij de reguliere werking van GTB terecht, als ze deze weg al vonden. Op dat moment zijn zij hun job meestal al kwijt. Wanneer iemand langer dan zes maanden op mutualiteit staat, verkleint de kans aanzienlijk dat men nog terecht kan bij de oorspronkelijke werkgever. Bovendien raken personen die lang inactief zijn, genesteld in hun persoonlijke leven en hun vervangingsinkomen. Hierdoor verkleint de kans op succes van een begeleiding naar professionele re-integratie.

d)   Het gebrek aan interdisciplinaire samenwerking met de revalidatiecentra

Omdat de personen met een hartprobleem te laat beroep doen op GTB is een uitwisseling van informatie tussen de trajectbegeleiders van GTB en de revalidatiecentra niet vanzelfsprekend. Bovendien is de revalidatie dan al geruime tijd achter de rug, waardoor een interdisciplinaire samenwerking met het revalidatiecentrum en het gezamenlijk ondersteunen van de persoon met een hartprobleem niet langer mogelijk is. Bovendien gaat er veel relevante informatie over de persoon met een hartprobleem verloren (Specifieke medische aandachtspunten, welke weerstanden zijn er,…).

[/accordion_item]

[accordion_item title='Werkgevers weten niet wat het betekent om hartpatiënten te werk te stellen (de mogelijkheden, de risico’s op de werkvloer,…).']

Werkgevers weten niet hoe omgaan met werknemers met een hartprobleem

Werkgevers hebben niet altijd een duidelijk beeld van wat het betekent om werknemers met hartproblemen tewerk te stellen. Vaak hebben ze een zekere angst voor de gezondheid van hun werknemer, of menen ze dat het inzetten van personen met een hartprobleem tot een verlies aan rendement leidt (bijv. trager werktempo, afwezigheden,…). Werkgevers zijn niet of onvoldoende op de hoogte van de subsidies die ze in bepaalde situaties kunnen aanspreken om het rendementsverlies te compenseren.

Werkgevers worden geconfronteerd met tal van vragen wanneer zij een persoon met een hartprobleem tewerk stellen. Werkgevers hebben een vertekend beeld over de mogelijkheden van personen met een hartprobleem. Zij hebben geen zicht op de risico’s binnen de werkomgeving, de mogelijke aanpassingen aan de arbeidsomstandigheden…

Onderstaande citaten uit gesprekken met werkgevers illustreren dit:

Uit gesprekken met werkgevers:

  • "Zal mijn medewerker na zijn hartaanval nog trappen kunnen lopen?”
  • “Hij zal toch niet plots dood vallen als hij terug aan het werk is?”
  • “Oei, gaat die nog wel iets kunnen doen?”
  • “Binnen twee weken zal hij toch wel weer aan het werk kunnen, zeker?”

Werkgevers zijn vaak bevreesd om werknemers met een hartprobleem opnieuw in dienst te nemen. Enerzijds door gebrek aan kennis over de problematiek en anderzijds door onwetendheid over mogelijke aanpassingen aan de werkomstandigheden, deeltijdse tewerkstelling,… Ook gebeurt het dat de ernst van de problematiek wordt onderschat, waardoor te snel te hoge verwachtingen worden gesteld. Voor een werkgever is het moeilijk om een realistische inschatting te maken van wat hij nog wel en wat niet mag verwachten.

[/accordion_item]
[accordion_item title='Ook hartpatiënten hebben geen duidelijk beeld van de mogelijkheden en risico’s om opnieuw aan het werk te gaan.']

Personen met een hartprobleem hebben geen beeld van mogelijkheden/risico’s om het werk te hervatten

Aanvankelijk regeert angst

Het ervaren van een hartziekte brengt angst en spanning met zich mee. Deze angst is een natuurlijke reactie op een levensbedreigende situatie die een hartaandoening soms is. Tijdens de eerste dagen na een hartinfarct is doodsangst zeer reëel. Ook het ziekenhuismilieu zelf, met al zijn apparatuur en drukte, kan een bron van angst zijn.

Na een cardiaal incident denkt een persoon niet onmiddellijk aan werk

Mensen zijn aanvankelijk erg ongerust na een cardiaal incident. Voor het minste probleem reppen ze zich opnieuw naar de spoedafdeling van het ziekenhuis of naar de huisdokter. Na verloop van tijd groeit hun vertrouwen, de medicatie werpt zijn vruchten af, de controles zijn telkens goed en ondertussen is men al een zeer lange periode thuis. Pas vanaf dat moment beginnen ze opnieuw aan hervatting van het werk te denken.

Personen met een hartprobleem hebben tal van vragen over hun toekomst:

  • Hoe zal ik herstellen na de operatie?
  • Zal ik nog lang werkongeschikt blijven?
  • Zal ik mijn werk nog aankunnen?
  • Zal mijn baas mij nog wel willen?
  • Welke inspanningen zal ik nog mogen doen?
  • Hoe groot is de kans op nieuwe problemen aan mijn hart?

Hoe langer de werknemer afwezig blijft van het werk, hoe kleiner de kans dat hij het werk kan hervatten

Na hun revalidatieperiode worden personen met een hartprobleem aanvankelijk aan hun lot overgelaten en er zijn geen stimuli om hen opnieuw te begeleiden naar werk. Na twaalf maanden ziekteverlof komt de hartpatiënt op invaliditeit.

Uit de praktijk blijkt dat hoe langer de werknemer afwezig blijft van het werk, hoe kleiner de kans wordt dat hij bij zijn huidige werknemer het werk zal hervatten.

  • Na drie tot zes maanden afwezigheid hervat minder dan 50% het werk
  • Na afwezigheid van een jaar is dit al minder dan 20%.
  • Minder dan 10% hervat het werk bij een afwezigheid van langer dan 12 maanden.

[/accordion_item]
[accordion_item title='Het ontbreken van een specifieke methodiek/een specifiek traject voor deze grote maar specifieke doelgroep.']

Inactiviteitsval

De motivering om aan de slag te gaan en te blijven gezien de loonuitkeringsspanning verdient bijzondere aandacht. Het verschil tussen het loon − in sommige gevallen het minimumloon − dat de hartpatiënt bij wedertewerkstelling ontvangt en de uitkeringen waarop hij als inactieve gerechtigd is, is niet steeds stimulerend om de stap naar de arbeidsmarkt te zetten. Bovenop dient rekening te worden gehouden met de inherente meerkosten van het werk (ondermeer kleding, verplaatsing, kinderopvang).

In geval van een combinatie van (deeltijds) werk en een uitkering leveren kleine loonsverhogingen door langer werken of bij een promotie geen verhoging van het inkomen op omwille van de cumulatieregeling. Het aanvaarden van een job met een lager loon dan het voorheen verdiende loon, brengt met zich mee dat bij een mogelijk herval de RIZIV-uitkering lager ligt dan voorheen omdat een invaliditeitsuitkering wordt berekend op het laatstverdiende loon. Bij herval dienen deze rechten opnieuw te worden opgebouwd.

Het huidige systeem stimuleert hartpatiënten om op ziekteverlof te blijven

Een persoon met een hartprobleem die wil gaan werken, zal na berekening vaak de boodschap krijgen dat hij wel gek moet zijn om zich opnieuw op de arbeidsmarkt te wagen.

Bvb. iemand op invaliditeit heeft recht op 45% tot 65% van zijn laatste loon. Wie arbeidsongeschikt is, mag in principe niet werken. Toch kan iemand die een arbeidsongeschiktheid heeft van 66% en op invaliditeit staat van de mutualiteit, mits voorafgaandelijk akkoord van de adviserend geneesheer, de toelating krijgen om geleidelijk aan het werk te hernemen.

Een hervatting in het stelsel "progressieve tewerkstelling" is enkel mogelijk indien de adviserend geneesheer oordeelt dat de persoon nog minstens 50% fysische ongeschiktheid-graad blijft behouden en diens gezondheidstoestand niet in gevaar komt door het werk. De toestemming voor progressieve tewerkstelling zal worden gegeven als de adviserend geneesheer van oordeel is dat je later mogelijks in staat zal zijn om, na de toegestane periode van deeltijdse activiteit, het werk voltijds opnieuw aan te kunnen.

[/accordion_item]
[/accordion]

Contact informatie

Adres

Collegestraat 60
2300 Turnhout

Telefoonnummers

+32 (0)498 15 60 51

+32 (0)14 72 86 56

Navigatie

  • Over ons
  • Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
  • Privacy Policy
  • Copyright
  • Methodiek
  • Partners
  • Events

ESF Validatie